Muzikanten Componisten en Orkestleiders


Osvaldo Fresedo (1897-1984)

componist, orkestlijder, bandoneonist

Osvaldo Fresedo werd geboren op 5 mei 1897 in het centrum van Buenos Aires. Op zijn dertiende verhuisde hij naar de wijk La Paternal. Dit leverde hem voortaan de bijnaam “El pibe de la Paternal”(jochie uit de wijk Paternal) op.

Osvaldo was een verwoed fietser en tijdens de vele fietskilometers die hij als kind door de stad maakte, kwam hij met zekere regelmaat de kleine organitos (straatorgeltjes) tegen, die de eerste tango’s op straat ten gehore brachten. Later, op vijftienjarige leeftijd hoorde en zag hij in een café een aantal malen het trio van bandoneonist Augusto Berto, met de beroemde Francisco Canaro op de viool. Hij was zo onder de indruk, dat hij besloot bandoneon te leren spelen en zijn leven voortaan aan de muziek te wijden. Bij gebruik aan middelen begon hij op een “ordinaire”concertina, een soort trekharmonica, tot hij genoeg gespaard had voor een heuse bandoneon.

Op zestienjarige leeftijd componeerde hij zijn eerste tango; El Espiante, geïnspireerd op een treinlocomotief. Op zeventienjarige leeftijd speelde hij voor het eerst in het openbaar in café Paulin, samen met zijn broer Emilio, op de viool en een gitarist, Hij deed dit op zaterdag en zondag voor twee pesos per persoon.

Zijn kwaliteiten bleven niet onopgemerkt en in 1916 werd hij door eerder genoemde Francisco Canaro, behalve violist ook orkestleider, uitgenodigd mee te spelen tijdens het carnaval in Rosario. Vanaf 1918 leidde hij zijn eigen ensemble waarmee hij een jaar later naar de VS reisde om zijn eerste plaat op te nemen. In de periode die daarna volgde was Fresedo zeer actief, begeleidde films in de bioscopen, nam verscheiden platen op en ging op tournee door Europa.

In 1930 keerde hij met zijn orkest terug in Buenos Aires en is vanaf dat moment niet meer weg te denken uit de tangogeschiedenis. Hij componeerde tientallen tango’s en het aantal platenopnames gaat ruim over de duizend. Tot op hoge leeftijd blijft hij actief, als hij  drieëntachtig is verschijnt er nog een LP van hem. In 1984 overleed jij op zevenentachtigjarige leeftijd. Vele bekende componisten, muziekanten en orkestleiders hebben hun waardering en respect voor hem geuit, sommigen zelfs in de vorm van een aan Fresedo opgedragen tango.

Osvaldo Fresedo was een perfectionist en streefde voor de tango naar het hoogst haalbare muzikale niveau; hij zocht naar de passende klankkleur en interpretatie, frasering en samenspel voor beide handen op de bandoneon en in ieder stuk een solo van viool en piano. Hij wilde de tango veredelen zonder voorbij te gaan aan de authenticiteit van het wek van de oorspronkelijke auteur. Hij zorgde voor belangrijke dynamische veranderingen in de tango zoals het staccato pianissimo(door het hele orkest uiterst zacht gespeelde korte, gepunteerde tonen) en het crescendo ligado(hierbij wordt het hele orkest langzaam luider).Hij experimenteerde met nieuwe bezettingen zoals een barritonsaxofoon om de baslijn van de contrabas te versterken. Later voegde hij ook hout- en koperblazers, een fibrafoon, slagwerk en een harp toe.  De muziek van Osvaldo is verfijnd en ritmisch en romantisch. Osvaldo houd van virtuositeit, maar , zoals hij zelf zei in een interview:”niet de virtuositeit  van een solist. Ik heb me nooit als solist willen onderscheiden. Bovendien ben ik van mening dat de bandoneon geen compleet instrument is, Er bestaan geen complete instrumenten. Het enige complete is een orkest. Daarom kan het geheel virtuoos zijn, meer dan een solist
Verder zei hij in dat zelfde intervieuw  muziek en melodieën zonder opsmuk gemaakt te hebben, maar wel rijk aan schakeringen. Met respect voor de oorspronkelijke melodie en een gedoseerde toevoeging van violen en bandoneons, naast andere instrumenten, om de juiste balans te bewerkstelligen.

De tegenstellingen die de tango karakteriseren worden in de muziek van Fresedo op het scherpst uitgespeeld. Hard en zacht, strak en zwierig, koel en gepassioneerd, en dat allemaal samengebald in een stukjes muziek van drie minuten. Zijn is muziek is romantisch en klinkt filmisch, je kunt je er heerlijk door mee laten voeren je in een oude film wanend over liefde en trouw en zo…

Miguel Caló (1907-1972)

Bandoneonist, componist en orkestleider

Caló begint zijn carrière als bandoneonist in de orkesten van Osvaldo Fresedo en later Francisco Pracánico. Vanaf  1929 brengt hij meerdere keren orkesten samen maar breekt ze ook weer op om op tournee te gaan met Catúlo Castillo en, naar Amerika, met Osvaldo Fresedo.

Je zou kunnen zeggen dat Caló’s carrière uit twee periodes bestaat. Zijn eerste periode start in 1934 met een orkest dat qua stijl lijkt op Fresedo en qua geluid klinkt als Di Sarli.

Zijn tweede periode begint een kleine 10 jaar later, wanneer Caló een stijl uitdraagt die de traditionele tango verbindt met de vernieuwingen van die tijd; met een uitgelichte plek voor de violen, een ritmische bandoneon sectie en een spectaculaire piano partij.

Opvallend is de manier waarop het orkest ritme en melodie in ballans brengt, vergelijkbaar soms met de manier waarop Shubert zijn liederen begeleid. Opmerkelijk zijn ook de vioolsolo’s, die bijna op zich zelf staande symfonieën zijn. Dit is te danken aan het violist/arrangeur Argentino Galván.

Caló’s orkest van het begin van de jaren 1940 staat bekend als ‘het orkest van de sterren’. De orkestleden waren allen grote musiekanten die later ook eigen bekend geworden orkesten opgericht hebben. Zoals de violist Francini, bandoneonist Pontier, pianist Maderna en bandoneonist Domingo Federico. Het typische geluid van dit orkest is, vloeiend, lyrisch en vol, één van de grootste orkesten van zijn tijd.

Bekende zangers die in het orkest van Caló gezongen hebben zijn onder andere Alberto Podesta, die weggekaapt werd door het orkest van Di Sarli en Raul Beron. Beron was eigenlijk geen tangozanger en werd, op aandringen van de orkestleden, die hem niet vonden passen, ontslagen. Maar toen de opnamen die met hem gemaakt waren een groot succes bleken, werd hij weer terug aangenomen.

Met Raul Berón neemt Calo de mooiste tango’s op zoals Que te importa que te llore.

Raul verlaat het orkest om bij Lucio De Mare te gaan zingen. Verschillende zangers komen en gaan, met als laatste Raul Iriarte.

In 1945 vertrekken verschillende belangrijke orkestleden en valt het orkest uiteen. Een uitgehold orkest blijft over dat nooit meer het niveau haalde van de periode er voor.

 

Carlos di Sarli (1903-1960)

Pianist, componist, orkestleider

geboren 7 januari 1903 gestorven 12 januari 1960
bijnaam: ‘El Señor del Tango’

Carlos di Sarli, zoon van een Uruguayaanse moeder en Italiaanse vader, raakte als kind slechtziend door een ongeluk met een geweer in de winkel van zijn vader. Hij studeerde op jonge leeftijd klassieke piano aan het conservatorium, maar onder protest van zijn vader en muziekleraar, ging hij op dertienjarige leeftijd geld verdienen met tangomuziek en het spelen in bioscopen en theehuizen.

Hij was een bijzondere man. Ongrijpbaar en mysterieus, met zijn donkere zonnebril. Introvert, terughoudend en veeleisend. Hij liet zich niet in een hokje dringen en weigerde zich te conformeren aan de modegrillen van zijn tijd. Menig ruzie heeft hem de samenwerking met anderen laten verbreken.

Zijn tango-orkest is één van de  beste uit de tangogeschiedenis. Hoewel het orkest duidelijk anders klinkt in verschillende perioden, blijft het altijd herkenbaar. De muziek heeft een zeer ruimtelijke sfeer, de klank is altijd stijlvol. Opvallend in zijn muziek zijn de contrasten tussen extreem harde en extreem zachte passages en de contracanto (tegenzang) van de violen. Di Sarli verstond als geen ander de kunst van het weglaten en daarbij verbind zijn pianospel de ene ruimte met de andere en zorgt voor de nodige swing. Hij was een meester op de piano en stond bekend om zijn linkerhand. De tango van di Sarli gaat vooral om ruimte creëren. Ruimte voor de melodie, ruimte voor de zanger en ruimte voor de tango-danser om te interpreteren. De leden van het orkest vervulden een rol, ondergeschikt aan het geheel. Di Sarli eiste een licht ritmische bespeling van het instrument waardoor het niet op de voorgrond kwam te staan. Ook hierdoor ontstonden veel onenigheden met zijn muziekanten, met name met de bandoneonisten, die graag hun eigen zeggenschap wilden behouden.

Het orkest kent 3 perioden:

Guardia vieja (oude stijl) 1927-1932

De melodie werd gebruikt als leidraad voor het arrangement. De zanger kreeg niet meer dan een couplet en/of een refrein te zingen. De baspartijen van de oude di Sarli opnamen zijn zeer prettig voor beginnende dansers. De duidelijke eerste tel wordt gestreken en valt daarmee samen met de afzet in de pas.

De ‘Epoca de oro’ Het gouden tijdperk van de Tango

Het tempo van de tango was in die jaren behoorlijk sneller dan voorheen. Di Sarli verloor echter nooit het gevoel voor ruimte in de tango. De eerste viool nam een belangrijke rol in maar speelde nooit echt solo. Het succes van di Sarli was in die jaren groot. Dit was mede te danken aan zanger Roberto Rufino, die de juiste stem had voor di Sarli’s klankkleur. Andere zangers in die periode waren Alberto Podesta, wellicht de meest succesvolle zanger in die tijd, en Jorge Duran.

Vanaf 1951

Vanaf 1945 gaat het tempo van de tango omlaag en ontstaat er een nieuwe sfeer. Nooit echter verloor di Sarli zijn kenmerkende stijl met zijn duidelijke beat, zijn suggestieve pianospel en zijn lieflijke melodieën waardoor je je als danser door kunt laten leiden.  De ene keer je mee laten voerend door de melodie, de andere keer spelend met het ritme van de riedeltjes op de piano.

Enrique Rodriquez  (1901-1971)

Bandoneonist,pianist,violist componist en orkestleider

Geliefd door het dansend publiek, maar verguist door vernieuwers  van de tango.

Door de multiculturele samenstelling in Argentinië in die tijd, waren er veel geïmporteerde stijlen zoals de polka, De wals, de foxtrot en de jazz. Rodrigues speelde ze allemaal.

Zijn arrangementen zijn over het algemeen simpel en afgestemd op het feestend publiek. De zangers hebben vaak een prominente rol.

Hij begon  zijn carrière met het spelen van de achtergrondmuziek bij stomme films op de bandoneon.

Toen de radio zijn intrede deed in Argentinië, speelde hij de muziek in de gouchosoapopera’s.

Vanaf 1926 speelde hij in verschillende tango-orkesten, waaronder een periode in het orkest van Donato. Deze heeft een grote invloed op zijn muziek gehad. Met name de het heldere geluid en de duidelijke beat hoor je terug.

Vanaf 1936 heeft Rodriguez zijn eigen orkest. Hij noemde dit “La Orquesta de todos los ritmos.”

Vanaf 1937 was hij onder contract bij platenmaatschappij Odeon met welke hij meer dan 350 nummers opgenomen heeft.